Gepubliceerd op 16 juni 2019 door Alex Mink

Europese richtlijn schone voertuigen: tips voor gemeenten

In mei 2019 is de Europese Richtlijn schone en energie-efficiente voertuigen (Clean vehicles directive) van kracht geworden. Decentrale overheden krijgen een verplichte minimale norm voor de aanbesteding van hun dienstvoertuigen opgelegd. Hierdoor beoogt de Europese Unie dat het aandeel schone voertuigen toeneemt en de Europese transportsector een gegarandeerde markt voor innovaties krijgt. De richtlijn geeft Nederlandse gemeenten en hun samenwerkingsverbanden de kans om via aanbestedingen aan te sturen op een groter gebruik van schone voertuigen.

Waar gaat de richtlijn eigenlijk over?

De Europese richtlijn schone voertuigen is van toepassing op alle relevante aanbestedingstrajecten door overheden, die onder de Europese regels voor aanbestedingen vallen. De daar geldende monetaire grenzen zijn ook toepasselijk op de toepassing van de Richtlijn schone voertuigen.   Alle gebruikstypen – dienstgebruik, bezorging, reinigingsdiensten, personenvervoer – en eigendomsverhoudingen vallen onder de reikwijdte van de richtlijn. Specifiek ontworpen voertuigen en functionele voertuigen, bijvoorbeeld voor wegenonderhoud en bosbouw, vallen niet onder de richtlijn. De lidstaat kan specifieke categorieën bij wet uitzonderen.

Welke minimale eisen stelt de richtlijn?

Voor Nederland geldt dat er tot eind 2025 tenminste 38,5% schone auto’s en bestelbussen moeten worden aanbesteed. Onder deze groep vallen zeer schone hybride voertuigen met een maximale uitstoot van 50 gram CO2 per kilometer. Na 2025 kunnen er alleen nog 0-emissievoertuigen worden aanbesteed om aan de norm te voldoen.

Voor vrachtwagens gelden andere percentages: voor de zware voertuigen stelt de richtlijn dat deze mogen meetellen als schone voertuigen, wanneer zij op rijden op alternatieve – niet-fossiele – brandstoffen (conform de definitie in Europese richtlijn Infrastructuur voor Alternatieve Brandstoffen, AFID 2014/94/EU). Hieronder vallen o.a. biobrandstoffen, gas en ook elektriciteit en waterstof. Voertuigen op biobrandstoffen worden alleen als schoon aangemerkt wanneer zij op 100% biobrandstoffen rijden.
De minimumpercentages voor de aanschaf van schone zware voertuigen zijn 10% (eind 2025) en 15% voor de periode 2026-2030.

Voor bussen geldt een minimumpercentage van 45%, tot eind 2025 en een minimumpercentage van 65% van 2026-2020, voor de helft ingevuld met 0-emissievoertuigen en voor de andere helft met voertuigen die rijden op alternatieve brandstoffen. Nederland ligt op schema om dit doel te halen via het Bestuursakkoord zero emissie busvervoer, waarin decentrale aanbestedende overheden verplichtingen opleggen aan concessiehouders. Deze ambitie wordt sneller dan beoogd gerealiseerd.

Hoe kunnen gemeenten aan de verplichtingen van de richtlijn voldoen?

De Europese richtlijnen gelden ook voor Nederlandse gemeenten. Inkooptrajecten rondom doelgroepenvervoer kunnen gebruikt worden om duurzame voertuigen uit te vragen. Het GNMI brengt partijen samen via de Coalition of the Willing Zero emissie doelgroepenvervoer om de introductie van schone en geschikte voertuigen te versnellen. Via regionale samenwerkingsverbanden, bijvoorbeeld rond de inzameling en verwerking van afval, kunnen inkooptrajecten voor voertuigen benut worden om schone voertuigen uit te vragen. Gemeenten kunnen ook als aandeelhouder van overheidsbedrijven aansturen op het nemen van maatschappelijke verantwoordelijkheid door het kopen of leasen van schone voertuigen af te dwingen. Het PianoO-netwerk heeft een leergang duurzaam aanbesteden, waarin ook aandacht is voor de inkoop van schone voertuigen. Belangrijke aandachtspunten zijn dat de terugverdientijd voor de exploitant van het voertuig realistisch moet zijn en dat er voldoende infrastructuur voor opladen of tanken van alternatieve brandstoffen beschikbaar komt. Deze aandachtspunten komen o.a. terug in de uitrol van het Nationaal programma laadinfrastructuur.