Gepubliceerd op 1 mei 2019 door Arthur ter Weeme

GNMI Contactgroep verkeersveiligheid over Strategisch plan verkeersveiligheid, ongevallencijfers en lokaal beleid

Verkeersveiligheid staat veel in de belangstelling. Binnen de GNMI Contactgroep verkeersveiligheid is er veel aandacht voor de landelijke aanpak om het aantal verkeersslachtoffers te reduceren, beschikbaarheid van data en het voeren van succesvol lokaal beleid. Gemeenten, VNG, GNMI, CROW-KpVV en relevante stakeholders wisselen binnen de contactgroep goede voorbeelden uit en houden elkaar op de hoogte van lokale en landelijke beleidsontwikkelingen. 

Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030
Er is sprake van een opwaartse trend van het aantal verkeersslachtoffers. Rijksoverheid, gemeenten, provincies en vervoersregio’s zijn daarom aan de slag gegaan met een nieuw landelijk plan dat moet zorgen voor een veiliger verkeer: het Strategisch plan verkeersveiligheid 2030. In dit plan zijn een aantal doelstellingen vastgelegd en wordt gewerkt vanuit de risicogestuurde aanpak: eerst weten wat er speelt en op basis daarvan een doelmatige en effectieve aanpak realiseren. Handhaving, bewustwording van gedrag en weginrichting zijn de knoppen waaraan wegbeheerders kunnen draaien.

Gemeenten geven aan dat een goede aanpak van verkeersveiligheid uitdagend is. Er zijn veel belangen en er kan spanning tussen beleid ontstaan. Zo zijn de weginrichtingsprincipes die het SWOV met Duurzaam veilig III voorstelt soms niet passend met stedenbouwkundige visies. Maatregelen en ingrepen moeten ook betaalbaar zijn: met name weginrichting is gebonden aan afspraken over afschrijven en onderhouden die meerdere decennia beslaan. Gemeenten worden aangemoedigd om te experimenteren. De invoering van de Omgevingswet kan een vorm zijn waarin het lokale beleid kan worden ingevuld. Het GNMI gaat in opdracht van het ministerie van I&W verkennen welke inhoudelijke behoeften aan ondersteuning er leven en hoe de samenwerking tussen gemeenten en kenniscentra kan worden vormgegeven.

Verkeersongevallendata
Gemeenten hebben een discussie gevoerd over de beschikbaarheid van ongevallencijfers. De registratie van relevante data is versnipperd door verschillende registratiewijzen en (on)mogelijkheden tot het delen van informatie door bepaalde spelers. Toch is er veel behoefte aan goede data, zodat gemeenten incidenten kunnen duiden en zich een beter beeld kunnen vormen over wat er werkelijk op straat speelt. Veel gegevens komen binnen op basis van klachten en meldpunten, terwijl er behoefte bestaat aan objectieve en meetbare informatie. Via het STAR-systeem zijn veel ongevallendata ontsloten, behalve fietsdata. Geabonneerde wegbeheerders kunnen dagelijks rapportages opvragen. Met BLIQ, een systeem van politie, wegbeheerders en de regio’s, kunnen gemeentebestuurders een jaarlijkse rapportage over lokale ongevallendata ontvangen.

Lokaal beleid
Tijdens de bijeenkomst van 17 januari was de gemeente Rotterdam de gastheer en werd het stedelijke verkeersveiligheidsbeleid gepresenteerd.  De basis van deze aanpak ligt in de verkeerspsychologie en dus het waarnemen van menselijk gedrag. Op basis hiervan zijn een analyse en aanpak gemaakt. Vooral fietsers blijken een kwetsbare groep: afleiding, slechte verlichting, fietsen door rood licht en spookfietsers zijn belangrijke ongevalsoorzaken. Routine en positieve sociale normen bevestigen zijn de uitgangspunten voor de gehanteerde aanpak. De gemeente zoekt oplossingen in weginrichting en -belijning en het communiceren van positieve boodschappen. Bij verkeerslichten speelt mee dat de prioritering voor het OV op gespannen voet kan staan met de verwachtingen over wachttijden bij fietsers. De effecten van deze experimenten zijn wisselend maar het algemene beeld is positief. Het nieuwe verkeersveiligheidsbeleid is ook gekoppeld aan een circulatieplan, waarbij niet-stroomwegen autoluw worden ingericht. Verkeersveiligheid wordt meegenomen in stedelijke ontwikkelingen, als bijdrage aan een leefbare en veilige omgeving. Met Rijkswaterstaat en het Rotterdams datalab is een “voorspelmodel” gemaakt. In een volgende bijeenkomst van de Contactgroep wordt de ontwikkeling van dit model verder besproken.