Blog

Uitgelicht

De meest recente blog van onze verkeersjurist Eugène van de Poel

  • Gemeenten mogen doorgaan met kentekenparkeren

    Gemeenten kunnen het systeem van kentekenparkeren blijven gebruiken. In zijn arrest van 10 april 2020 (zie: ECLI:NL:HR:2020:639) oordeelt de Hoge Raad dat het systeem van kentekenparkeren, zoals dat in Amsterdam (en menig andere gemeente) wordt gehanteerd, niet in strijd is met Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De Hoge Raad meent dat er sprake is van een gerechtvaardigde inmenging op het recht op het privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Tevens bevestigt de Hoge Raad impliciet zijn eerdere arrest uit 2005, waarin is uitgesproken dat gemeenten niet verplicht zijn om betaling van parkeerbelasting ook met contant geld mogelijk te maken.

    De gemeente Amsterdam hanteert een systeem van ‘kentekenparkeren’ waarin de wijze van betaling van parkeerbelasting in de gemeentelijke Parkeerverordening is voorgeschreven. Een parkeerder moet via de parkeerautomaat of mobiele telefoon het kenteken van zijn auto invoeren om parkeerbelasting te kunnen voldoen. Controle op voldoening van de parkeerbelasting vindt plaats met gebruik van scanauto’s die de kentekens van geparkeerde voertuigen scannen (registreren). Deze gegevens worden in versleutelde vorm verstrekt aan het Servicehuis Parkeren en Verblijfsrechten (SPV). Het SPV beschikt over gegevens waaruit blijkt of voor het voertuig een  parkeervergunning  is afgegeven, dan wel parkeerbelasting op aangifte is voldaan. Het SPV beschikt niet over kentekengegevens in onversleutelde vorm.

    Indien geen parkeervergunning is afgegeven en de verschuldigde parkeerbelasting niet op aangifte is voldaan, wordt de versleuteling van het kenteken ongedaan gemaakt en wordt de gemeentelijke heffingsambtenaar ingelicht onder vermelding van het betrokken kenteken. De heffingsambtenaar vraagt vervolgens bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna: RDW) de gegevens van de kentekenhouder op ten behoeve van het opleggen van een naheffingsaanslag. De gegevens worden bewaard gedurende de termijn voor de afhandeling van eventueel bezwaar en beroep.

    Betrokkene heeft als belangrijkste grond voor bezwaar, beroep en cassatie steeds aangevoerd dat door het systeem van kentekenparkeren inbreuk wordt gemaakt op zijn privéleven, hetgeen in strijd is met artikel 8 EVRM.

    Het Hof heeft in hoger beroep geoordeeld dat geen rechtsregel de (gemeentelijke) overheid verplicht om betaling van parkeerbelasting met contant geld mogelijk te maken. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AR8903) heeft het Hof geoordeeld dat als voorziening voor de betaling van parkeerbelasting volstaat dat alleen betaling langs elektronische weg beschikbaar is. Aan artikel 8 EVRM kan naar het oordeel van het Hof geen recht op betaling van parkeerbelasting door middel van contant geld worden ontleend.

    Het Hof heeft verder geoordeeld dat het systeem van kentekenparkeren geen verboden inmenging als bedoeld in artikel 8 EVRM betekent. De controles door middel van scanauto’s zijn aan te merken als waarnemingen in de publieke ruimte die op zichzelf geen verboden inmenging opleveren. De redelijke verwachtingen van belanghebbende omtrent zijn privacy zijn in dit opzicht niet geschaad. Belanghebbende kon verwachten dat het kenteken van de auto zou worden geregistreerd ten behoeve van controle op de voldoening van parkeerbelasting.

    Tevens heeft het Hof geoordeeld dat tot het in artikel 8, lid 2, EVRM bedoelde ‘economisch welzijn van het land’ ook elementaire taken van de gemeentelijke overheid kunnen behoren, waaronder de heffing van parkeerbelasting. Met het systeem van kentekenparkeren zijn de effectiviteit en de efficiency van de heffing van parkeerbelasting gediend. Niet kan worden gezegd dat is tekortgedaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het kentekenparkeersysteem is niet in strijd met artikel 8 EVRM, aldus het Hof.

    De Hoge Raad meent in tegenstelling tot het Hof dat het in artikel 8 EVRM bedoelde ‘recht op respect voor het privéleven’ wel wordt geraakt door het systeem van kentekenparkeren. Hierbij is immers sprake van tot op de persoon herleidbare (kenteken)gegevens die systematisch worden verzameld, vastgelegd, bewerkt en langer worden bewaard.

    De Hoge Raad meent echter dat beperkingen op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer kunnen worden gerechtvaardigd door of krachtens een wet in formele zin. De Hoge Raad verwijst hiervoor naar de woorden “behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen” in artikel 10 van de Grondwet.
    De Gemeentewet (art. 225) geeft gemeenten de bevoegdheid parkeerbelasting te heffen en een (parkeer)belastingverordening vast te stellen. De Wegenverkeerswet 1994 (art. 43) geeft de wettelijke basis voor de heffingsambtenaar om het kenteken van een geparkeerde auto te koppelen aan de persoon van de kentekenhouder.

    In de Parkeerverordening van de gemeente Amsterdam is de volgende omschrijving van het begrip ‘parkeerrecht’ opgenomen:
    kentekenregistratie in het digitale parkeerbelastingbestand waarbij is voldaan aan parkeerbelastingplicht voor het gebruik van parkeerapparatuurplaatsen op basis van of krachtens deze verordening door middel van parkeervergunningen, bijzondere vergunningen, tijdgebonden parkeerrechten en/of door middel van het in werking stellen van de parkeerapparatuur”.

    De Hoge Raad vindt dat op basis van deze begripsomschrijving, in combinatie met het bepaalde in de artikelen 225 en 234 van de Gemeentewet, wordt voldaan aan de eis “bij wet voorzien” als bedoeld in artikel 8, lid 2, EVRM.

    Tot slot oordeelt de Hoge Raad dat het geen twijfel lijdt dat het doel van een maatregel waarmee wordt gewaarborgd dat belasting wordt betaald een legitiem doel is als bedoeld in artikel 8, lid 2, EVRM, te weten ‘het economisch welzijn van het land’. Dat geldt ook als het gaat om een maatregel die tot doel heeft te waarborgen dat een gemeentelijke belasting, zoals de parkeerbelasting, wordt betaald.

    De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

    Hieronder zijn de genoemde bepalingen uit het EVRM en de Grondwet opgenomen.

    Artikel 8. EVRM  :  Recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven

    1 Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

    2 Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

    Artikel 10.  Grondwet

    1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
    2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
    3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

    De uitspraak van de Hoge Raad

Archief

Overzicht van de blogs van Eugène van de Poel