Berichten

GNMI Contactgroep OV over internationaal vervoer en mobiliteitsdata

Op 20 september 2018 kwamen verschillende gemeenten in Arnhem bijeen voor de GNMI Contactgroep OV. Er is gesproken over de groei van het internationaal busvervoer en de gevolgen voor het wegbeheer en ruimtelijke inrichting. Daarnaast hebben de gemeenten gesproken over de ontwikkelingen in het aanbod van mobiliteitsdata en digitale beleidstools om te kunnen helpen met het beantwoorden van de lokale en regionale mobiliteitsvraagstukken.

Langeafstandsbussen en infrastructuur
Het Gemeentelijk Netwerk voor Mobiliteit en Infrastructuur (GNMI) besteedt veel aandacht aan de ontwikkelingen rondom grensoverschrijdende mobiliteit. Eén van de onderwerpen betreft de beschikbaarheid van grensoverschrijdende verbindingen. Denk daarbij niet alleen aan de Thalys, maar ook aan regionaal openbaar vervoer en de internationale langeafstandsbusdiensten. De Europese Commissie heeft het voornemen om de toegang tot publieke OV-voorzieningen voor langeafstandsbussen te versoepelen, waardoor deze bussen toegang zouden krijgen tot bushaltes en busstations met een minimale oppervlakte van 600 vierkante meter. In Nederland vallen praktisch alle grotere OV-knooppunten onder dit criterium.

Het is een goed idee om stadsbussen, streekbussen, treinen en de langeafstandsbussen zoveel mogelijk te concentreren op één plek, zodat reizigers gemakkelijk kunnen overstappen. Er zal nog wel discussie moeten worden gevoerd over de status van de langeafstandsbussen als ‘openbaar vervoer’, onder meer omdat vervoerbedrijven die rijden volgens een OV-concessie zich moeten houden aan afspraken over het aanbieden van reisinformatie, het accepteren van de OV-chipkaart, emissie-eisen, toegankelijkheidseisen en beïnvloeding van de verkeerslichten. De gemeenten vertegenwoordigd in de Contactgroep OV van het GNMI denken graag mee over dit vraagstuk, bezien vanuit de rol die gemeenten hebben rondom het openbaar vervoer.

Gemeenten constateren daarnaast een praktisch ruimtelijk probleem, omdat op veel busstations in Nederland de ruimte beperkt is. En er bestaan afspraken tussen de overheden en de vervoerbedrijven van het stad- en streekvervoer voor het gebruik maken van de perrons op de busstations. Ook aan het gebruik maken van de busbaan zijn voorwaarden aan verbonden. We zullen dus als overheden en vervoerbedrijven samen moeten gaan kijken naar hoe we hier op een goede manier invulling aan kunnen gaan geven. Gemeenten buigen zich over dit vraagstuk in de Contactgroep OV van het GNMI en worden betrokken bij een onderzoek van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat naar de impact van de Europese regelgeving. Daarnaast komt dit onderwerp terug in een werkgroep van het GNMI dat zich specifiek bezighoudt met grensoverschrijdende mobiliteit. Het GNMI nodigt partijen uit om met gemeenten mee te denken over de knelpunten en oplossingsmogelijkheden.

Beleidsmatige data om inzicht te krijgen in netwerkdekking en klantvragen binnen het OV
Door de continue verdergaande digitalisering van de maatschappij krijgen overheden en aanbieders van vervoeroplossingen steeds meer zicht op vervoersstromen. Voor overheden helpen deze gegevens bij het maken van het mobiliteitsbeleid en het inrichten van de ruimte. Toch hebben gemeenten weinig zicht op waar reizigers vandaan komen en waar ze naartoe gaan. Vanzelfsprekend gaat het hierbij om geaggregeerde cijfers, maar inzicht in herkomst- en bestemmingen maakt het mogelijk om als gemeente de infrastructurele voorzieningen hier op aan te passen. Maar zolang deze cijfers ontbreken worden voor gemeenten steeds vaker interessante producten beschikbaar gesteld die overheden in de gelegenheid stelt om de effecten in kaart te brengen van wijzigingen in het vervoersaanbod.

Vlak voor de zomer van 2018 behandelde de GNMI Contactgroep OV in dit kader het CROW Dashboard Deur-tot-Deur. Tijdens de vergadering van de Contactgroep OV op 20 september 2018 is gekeken naar het systeem dat aan het dashboard ten grondslag ligt. Daaruit kwam naar voren dat onder meer NDOV-data kan worden omgezet naar isochrone relaties, zodat de reistijd en bereikbaarheid van een bestemming onderzocht kan worden. Hierdoor ontstaat een beeld van de dekking van het netwerk voor bepaalde groepen inwoners, maar ook voor maatschappelijke voorzieningen. Het GNMI constateert dat met de doorontwikkeling van dergelijke software mobiliteitsdata ook als integrator kan worden gebruikt bij vraagstukken die een relatie hebben met verschillende beleidsterreinen en niet alleen verkeer en vervoer. Denk daarbij aan het sociaal domein, milieu, ruimtelijke ordening en onderwijs. De gemeenten in de Contactgroep OV stellen zichzelf ten doel digitalisering van de mobiliteit vaker op de agenda te zetten van het GNMI. Het is belangrijk om niet alleen te kijken naar de mogelijkheden van de huidige digitale beleidstools voor mobiliteitsplanning, maar ook om als gemeente tijdig in te kunnen spelen op de digitalisering van het vervoer, ofwel smart mobility.

Op 6 december 2018 organiseren de VNG, het GNMI en de gemeente Eindhoven samen een bijeenkomst over Smart Mobility voor gemeenten.

GNMI Contactgroep OV over datagebruik in het doelgroepenvervoer en Toekomstbeeld OV 2040

De Contactgroep OV van het GNMI kwam op 6 juni bijeen in Haarlem. De gemeentelijke beleidsadviseurs OV werden door CROW-KpVV en CROW-NDOV bijgepraat over de ontwikkeling van kennisproducten rondom OV-data. Daarnaast gaf de gemeente Amsterdam een presentatie over hun aanpak om te komen tot één app voor gebruikers van het doelgroepenvervoer, waarmee alle informatie over reis, prijs en voertuig wordt gebundeld. Tenslotte werd er een presentatie gegeven over de stand van zaken van het Toekomstbeeld OV 2040. 

Dashboard deur-tot-deur

CROW-KpVV werkt momenteel aan de ontwikkeling van het Dashboard deur-tot-deur. Het dashboard verzamelt en ontsluit diverse datastromen die gerelateerd zijn aan de deur-tot-deurreis van de OV-reiziger. Dit varieert van voorzieningen op stations tot inzicht in het bereik van OV-diensten ten opzichte van woningen en arbeidsplaatsen. Onder andere gemeenten krijgen daardoor inzicht in de maatschappelijke en vervoerskundige prestaties van zowel het netwerk als ook de aanverwante voorzieningen. Op 21 juni is er een themabijeenkomst voor gemeenten geweest, waarin de mogelijkheden van het dashboard verkend werden aan de hand van een specifieke casus.

Ontsluiting van data van collectieve vervoersdiensten en doelgroepenvervoer 

Het CROW-NDOV gaf een update over de algemene ontwikkelingen rondom de verzameling en de ontsluiting van data rondom vervoersdiensten. Het NDOV is momenteel vooral de databank voor OV-reisdata maar ziet ook dat er toenemende vraag naar het ontsluiten van data van mobiliteitsdiensten ontstaat. Belangrijke aandachtspunten daarbij zijn bijvoorbeeld de gegevensbescherming en de noodzaak om open datastandaarden te hanteren, zodat data uitwisselbaar zijn. Vanuit de gemeenten werd aangegeven dat er behoefte is aan de standaardisering en ontsluiting van data over het doelgroepenvervoer, zodat gemeenten en gebruikers meer inzicht krijgen in de dienstverlening. Dit is eigenlijk een gemeentelijke taak, maar de complexiteit maakt het een moeilijk te adresseren onderwerp.

De gemeente Amsterdam werkt aan de vraag hoe mensen met een mobiliteitsbeperking zo goed mogelijk geïnformeerd kunnen worden over de toegankelijkheid van het openbaar vervoer. Daardoor krijgen de gebruikers meer vertrouwen in het openbaar vervoer. Op basis van meereizen en gericht onderzoek blijkt dat de diverse gebruiksgroepen allemaal verschillende wensen en eisen hebben, maar dat het gebrek aan een goede informatievoorziening mensen er van weerhoudt om meer gebruik te maken van het openbaar vervoer. De gemeente Amsterdam werkt daarom aan het ontwerpen van een app, gemaakt voor mensen met een motorische beperking. Het uitgangspunt wordt dat de reisapp informatie gaat bevatten voor alle typen reizigers, dus ook forenzen en gezinnen met een kinderwagen. Via een reisprofiel kunnen er specifieke voorkeuren door de reiziger worden ingesteld. Het gaat dan bijvoorbeeld over tarieven, reistijden, de toegankelijkheid van voertuigen en stations. Nu het ontwerp van de app rond is, wordt er gekeken naar de benodigde informatiestromen die ontwikkelaars nodig hebben om deze app te bouwen.

Vanuit de deelnemers aan de contactgroep werd er aangegeven dat veel gemeenten beleidsmatig inzetten op een verhoogd OV-gebruik van reizigers die nu nog afhankelijk zijn van het doelgroepenvervoer. Tegelijkertijd zijn de informatiestromen complex en hebben de meeste gemeenten geen ambtelijke capaciteit en weinig budget om echt werk te maken van een grondige aanpak rondom de informatievoorziening aan gebruikers. Aan de andere kant is de gebruikersvriendelijkheid voor de gemeentelijke organisatie ook belangrijk: sommige instrumenten zoals de Haltescan zijn erg complex en vragen veel inzet, terwijl de hanteerbaarheid in de praktijk tegenvalt.

Binnen het besloten GNMI-netwerk wordt een uitvraag gedaan onder de gemeenten over de knelpunten en behoeften van gemeenten. In kleiner verband zullen GNMI en NDOV verder kijken waar er kansen op samenwerking liggen.

Toekomstbeeld OV 2040

Eind 2016 heeft het kabinet de 8 inhoudelijke vertrekpunten voor het Toekomstbeeld OV 2040 vastgesteld. Deze beleidsvisie bevat de ambities van de Rijksoverheid, de opdrachtgevers voor het openbaar vervoer en de OV-bedrijven voor de ontwikkeling van het Nederlandse OV-netwerk en wil nieuwe ontwikkelingen, rondom deeleconomie, verstedelijking en digitalisering, een plek geven binnen het aanbod van vervoersdiensten. Momenteel worden er enkele hoofdlijnen uitgewerkt. Namens de landelijke procesgroep werd de werkstroom regionale en vraaggestuurde mobiliteit inhoudelijk toegelicht.

In de werkstroom Regionale en vraaggestuurde mobiliteit wordt onderzocht wat de invloed van enkele trends (vergrijzing, verstedelijking, digitalisering) op het OV-aanbod is en hoe we de vraaggestuurde mobiliteit en het OV kunnen stimuleren. Men wil daarin zicht krijgen op mogelijke (negatieve) effecten en het omgaan met innovaties. Daarbij wordt er ook gekeken naar de consequenties per type gebied, bijvoorbeeld (hoog)stedelijk versus platteland. De scenario’s proberen in kaart te brengen wat er werkt, wat het ontwikkeltempo moet zijn en wat er qua vervoersaanbod het beste bij bepaalde reizigersstromen past. Er is ook aandacht voor het in beeld brengen van de beleidsopties: wat moet er gebeuren om een bepaald effect te bereiken? Dit gaat van wetgeving over open data, tot nieuwe afspraken over de ruimtelijke ordening en beprijzing van piekuren. Een deel van de beleidsopties ligt dus op het bordje van de gemeenten.

Het GNMI-secretariaat zorgt voor de informatievoorziening over deze werkstroom richting de aangesloten gemeenten. Zij krijgen de mogelijkheid om generiek te reageren op de inhoudelijke voortgang, naast de bijdragen in de afzonderlijke regio’s. Daarnaast wordt er gedacht aan het organiseren van een aparte GNMI-themabijeenkomst voor gemeenten met het ministerie van I&W eind dit jaar.

GNMI Contactgroep OV over toegankelijke reisinformatie, kennisontwikkeling en de rol van infrastructuur in OV-beleid

De contactgroep OV van het GNMI kwam op 3 april 2018 bijeen in Eindhoven. De gemeentelijke beleidsadviseurs maakten kennis met de ontwikkeling van voelbare reisinformatie voor visueel gehandicapten door Dedicon en het Smart lab public transportation van TU Delft. Daarnaast werden de dilemma’s en financiële knelpunten voor het gemeentelijke OV-beleid besproken met DOVA, de gezamenlijke OV-autoriteiten. 

De ontwikkeling van voelbare reisinformatie

Dedicon is aanbieder van informatieproducten voor visueel gehandicapten in Nederland. De organisatie is in Rijswijk en Grave gevestigd en wordt door de overheid gefinancierd.

Dedicon kent verschillende opdrachtgevers en is ook in het openbaar vervoer actief. Aan de hand van ‘elevated printing’ maakt Dedicon een “voelbare plattegrond” van het station en het stationsplein. Deze zijn beschikbaar voor enkele Duitse stations en ook in Nederland wordt met ProRail samengewerkt aan een plattegrond voor visueel gehandicapten. Om ook busstations en stationspleinen in kaart te kunnen brengen en beschikbaar te stellen op locatie zoekt Dedicon samenwerking met de vervoerssector en de gemeenten.

De kaarten voor visueel gehandicapten dragen bij aan de toegankelijkheid van het openbaar vervoer en het GNMI stelt voor om het gemeentelijk netwerk van het GNMI te benutten om Dedicon in contact te brengen met gemeenten om desgewenst de stationspleinen te kunnen voorzien van het kaartmateriaal.

Voelbaar reisinformatieproduct door Elevated PrintingWat vinden gemeenten belangrijk bij kennisontwikkeling over collectief vervoer?

Het GNMI wil zich graag inzetten om de interactie tussen kennisontwikkeling en de gemeentelijke praktijk over mobiliteitsontwikkelingen tot stand te brengen. In dat kader werd het Smart public transportation lab van TU Delft door universitair hoofddocent Niels van Oort geïntroduceerd. Het smart lab maakt onderdeel uit van de faculteit civiele techniek en doet onderzoek naar vernieuwende ontwikkelingen in het collectieve vervoer.

Het onderzoeksprogramma heeft thema’s zoals Mobility-as-a-Service, toegankelijkheid en duurzaamheid op het oog. Het eerste onderzoek loopt al en richt zich op de brede maatschappelijke effecten van de Noord-Zuidlijn in Amsterdam.

Tijdens de bespreking in de Contactgroep OV hebben de gemeenten suggesties voor het onderzoeksprogramma meegegeven. Zo is er behoefte aan grip op MaaS, mist men een hanteerbaar overzicht van de effecten van digitalisering op mobiliteit en wordt er gediscussieerd over het in beeld brengen van de sociaal-economische baten van OV-beleid. GNMI en de TU Delft hebben naar aanleiding van de discussie in de Contactgroep OV afgesproken samen relevante onderzoeksthema’s te verkennen.

Goede infrastructuur cruciaal voor kwaliteit openbaar vervoer

Tenslotte ging de Contactgroep OV in gesprek met DOVA-directeur Jan van Selm. In DOVA werken de provincies en vervoerregio’s samen aan gemeenschappelijke OV-beleidsvraagstukken. In de stedelijke omgeving groeit de waardering van reizigers en neemt het aantal reizigers fors toe. In veel gevallen komen de grenzen van de capaciteit van het systeem in zicht. Gemeenten spelen vanuit het ruimtelijke beleid en het wegbeheerderschap een cruciale rol in de verdere ontwikkeling van het OV-netwerk en het voorzieningenniveau. Het is daarom belangrijk om samen op te trekken met gemeenten.

Goed openbaar vervoer kan een substantiële bijdrage leveren aan de verdere groei van steden. Daarvoor is het noodzakelijk dat er aandacht komt voor de kwaliteit van de zware corridors met veel reizigersvraag en groeipotentieel. Dit vraagt niet alleen om een goede beleidsmatige samenhang: het is ook belangrijk dat er kennis wordt gedeeld en beleid en beheer op elkaar wordt afgestemd. Tijdens de bespreking werd daarnaast geconstateerd dat een aantal kleinere investeringen in de infrastructuur meer kan opleveren dan een grootschalig project.

De gemeenten signaleren ook dat de ruimtelijke druk op OV-knooppunten toeneemt. Ook hier komen meerdere belangen bij elkaar: vanuit stedenbouwkundige optiek wordt er ingezet op verdichting bij en op de knopen terwijl er vanuit vervoerskundige optiek meerdere reizigersstromen moeten worden afgehandeld. Op een kleinschaliger schaalniveau speelt de bijdrage van de stadsbus aan de verblijfskwaliteit en het economisch potentieel van binnensteden, nu de bus steeds vaker uit de binnenstad wordt gehaald. Een ander discussiepunt is de voortdurende spanning tussen een verbindend netwerk en een ontsluitend netwerk. Reizigers waarderen snelheid maar de sociaal-maatschappelijke vervoersvraag wordt vanwege de vergrijzing en individualisering ook steeds belangrijker.

De financiering van OV-infrastructuur, de samenwerking tussen beleid en beheer en de grip op het voorzieningenniveau zijn belangrijke aandachtspunten voor de gemeenten. Het GNMI stelt voor om aan te haken bij de maatschappelijke vraag over de toekomstige financiering van het openbaar vervoer.

VOC Intergemeentelijk Verkeersoverleg over harmonisatie milieuzones, bescherming van recreatieve netwerken en toegankelijkheid

Op vrijdag 16 februari kwam het VOC Intergemeentelijk Verkeersoverleg bijeen in Den Haag. Er werd gesproken over de harmonisatie van de milieuzones, de effecten van de Omgevingswet op de bescherming van recreatieve fiets- en wandelnetwerken en vanuit CROW-KpVV werd een interessante presentatie verzorgd over toegankelijkheid van openbare ruimte en mobiliteit.

Harmonisatie milieuzones: ruimte voor lokale autonomie is belangrijk 

Als onderdeel van het Tweede Mobiliteitspakket wil de Europese Commissie gaan kijken naar de harmonisatie van milieuzones. De Commissie realiseert zich dat veel steden willen werken aan een schonere lucht en daarom kijken naar de beperking van emissies door het gemotoriseerd verkeer.
Aan de andere kant is er ook een sterke lobby vanuit de transport- en logistieksector die de milieuzones ziet als inbreuk op de interne markt en graag meer ordening ziet in de onderbouwing en regulering van milieuzones. In Nederland speelt de discussie inmiddels ook: het regeerakkoord Rutte-III zet in op één uniforme systematiek van milieuzones.

VOC en VNG-team Europa willen graag via de Europese gemeentenkoepel ECMR aandacht vragen voor de milieuzones. Daarbij is het uitgangspunt dat de lokale autonomie voorop moet blijven staan als het tot een vorm van harmonisatie komt. De lokale autonomie is belangrijk omdat de problematiek rondom luchtkwaliteit en klimaatverandering steeds meer om flinke ingrepen en ruimte voor lokaal maatwerk vragen. Via milieuzones kan er worden bijgedragen aan het verbeteren van de luchtkwaliteit.
Tijdens het Intergemeentelijk Verkeersoverleg is benadrukt dat het behalen van schaalniveau, samen optrekken en kennisdeling cruciaal zijn om de benodigde ruimte voor het gemeentelijke beleid breed te houden.
De positie van kleine en middelgrote gemeenten is daarbij een aandachtspunt.

De VOC neemt deel aan de landelijke werkgroep die de harmonisatie van milieuzones onderzoekt en zorgt met het VNG-team Europa voor afstemming met de gemeentenkoepel ECMR. Daarnaast zal de gemeente Nijmegen, tevens VOC-lid, haar ervaringen over het partnership urban mobility, waarin enkele steden en lidstaten onder andere werken aan voorstellen voor duurzame mobiliteit, gaan delen met het Intergemeentelijk Verkeersoverleg. Het onderwerp duurzame mobiliteit komt terug in het volgende Intergemeentelijk Verkeersoverleg op 13 april aanstaande, waarin o.a. wordt ingegaan op de verduurzaming van stadsdistributie en het voorgenomen landelijke klimaat- en energieakkoord.

Doorwerking Omgevingswet op mobiliteitsonderwerpen

Tijdens het Intergemeentelijk Verkeersoverleg is er gesproken over de doorwerking van de Omgevingswet op mobiliteitsonderwerpen. CROW-KpVV en VOC zijn bezig met de organisatie van een aantal inhoudelijke bijeenkomsten over mobiliteitsonderwerpen die geraakt worden door de Omgevingswet en om lokale afwegingen vragen. Daarnaast zijn een aantal instructieregels op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving Omgevingswet in voorbereiding. Deze instructieregels geven aan hoe gemeenten ingrepen of beleidsvoorstellen juridisch moeten motiveren in het Omgevingsplan.
Dit geldt in het algemeen voor infrastructurele maatregelen maar ook voor de bescherming van landelijk aangewezen recreatieve netwerken voor fietsers en wandelaars.

Voor deze netwerken wil de wetgever een zwaardere motiveringsnorm inzetten. Dat kan op praktische bezwaren stuitten. Deze netwerken hebben vaak geen primaire functie in het gemeentelijke infrastructuurnetwerk maar worden in de toekomst wel zwaarder planologisch beschermd.
Bij doorsnijdingen, routewijzigingen en ruimtelijke ontwikkelingen moet het college van B&W dus goed onderbouwen de belangenafweging heeft plaatsgevonden. De gemeenten hebben als standpunt ingenomen dat de beoogde bescherming moet opwegen tegen het belang van de routes in het lokale netwerk, waarbij het stimuleren van gezond bewegen en recreatie overigens wel belangrijke aspecten zijn.

Toegankelijke samenleving: VN-verdrag heeft ook gevolgen voor mobiliteit

Vanuit CROW-KpVV werd een presentatie verzorgd over de gevolgen van het nieuwe VN-verdrag voor de rechten van mensen met een beperking.

Dit verdrag is sinds 2016 geldig voor Nederland en neemt de toegankelijkheid van de samenleving voor mensen met een beperking als uitgangspunt. De invoering van dit verdrag betekent dus ook dat verplaatsen een aspect is dat aandacht verdient. Voor de desbetreffende doelgroepen staan mobiliteit op 1, 2 en 3 omdat er vanzelfsprekend behoefte is aan ontmoeting en verbinding met andere mensen.
Voor gemeenten betekent dit dat er goed moet worden nagedacht over de toegankelijkheid van het vervoer, de infrastructuur en de openbare ruimte. Dat begint vaak al met de kwaliteit van looproutes.

CROW-KpVV ontwikkelt methodieken waarbij de gebruikers de toegankelijkheid kunnen beoordelen. Het kenniscentrum constateert wel dat veel informatie ontbreekt en er nog niet vanuit een integrale visie wordt gewerkt. Toch is dat wel noodzakelijk omdat de vergrijzing en het langer thuis laten wonen van mensen ook vragen om een faciliterende en dus goed ingerichte leefomgeving.
Daarbij kunnen gemeenten ook nadenken over de maatschappelijke baten van ingrepen en beleidsmaatregelen, omdat de indirecte baten van bijvoorbeeld goede looproutes hoger kunnen zijn dan het bijbenen van steeds verder stijgende zorgkosten. Toegankelijke infrastructuur en openbare ruimte kunnen dus leiden tot besparingen op de collectieve uitgaven voor zorg en maatschappelijke ondersteuning.
Ook dit aspect wordt verder bekeken door CROW-KpVV in samenwerking met het Kenniscentrum Sport.

 

 

 

 

 

VOC Intergemeentelijk Verkeersoverleg over de Omgevingswet en elektrisch laden voertuigen

Op 2 juni kwam het VOC Intergemeentelijk Verkeersoverleg bijeen in Den Haag. De aanwezige gemeenten bespraken de invoering van de Omgevingswet in relatie tot mobiliteit en de voortgang van het Rijksbeleid over elektrisch laden van voertuigen. 

Omgevingswet in relatie tot mobiliteit

Vanuit Mobycon werd er een presentatie gegeven over de invoering van Omgevingswet en de benodigde inzet vanuit het beleidsveld mobiliteit. Mobiliteitsopgaven staan niet meteen op het netvlies maar zijn cruciaal bij het uitrollen van het gemeentelijk ruimtelijk beleid en de vertaling daarvan in regelgeving. Binnen de gemeentelijke praktijk is integraal denken en handelen cultureel gezien de normaalste zaak van de wereld, maar in praktische zin moeilijk te organiseren. Het is in ieder geval zaak dat het beleidsveld mobiliteit goed wordt betrokken en de kans pakt om het beleid onder de loep te nemen. De Omgevingswet biedt gemeenten immers ruimte om eigen afwegingen te maken. Op concreet niveau kan er gedacht worden aan de toepassing van parkeernormen of juist het stimuleren van andere vormen van mobiliteit, emissienormen en toegankelijkheid. CROW pakt dit thema onder andere met de VOC verder op. In september wordt er binnen het Intergemeentelijk Verkeersoverleg verder over gesproken.

Stand van zaken  rijksbeleid  elektrisch rijden

Vanuit het ministerie van Economische Zaken werd de stand van zaken op het gebied van elektrisch rijden toegelicht. Het ministerie werkt momenteel aan een routekaart elektrisch rijden. Op basis van deze routekaart wordt er gezocht naar verbindingen tussen topsectoren en bedrijven op dit vlak. Nederland is op dit moment een koploper op het gebied van slim laden. In veel omliggende landen ligt de nadruk op het laden van voertuigen, terwijl in Nederland al verder wordt gekeken naar “slim laden” door het efficiënt omgaan met het elektriciteitsverbruik tijdens het laadproces en het balanceren tussen afname en het totale elektriciteitsnetwerk. Ook de toegang tot de oplaadpalen is vrij uniek geregeld door het inloggen met een persoonlijke pas. Algemeen valt op dat er in Nederland al een hoge standaardisering is bereikt rondom het oplaadsysteem, terwijl er in andere landen sprake is van meerdere aanbieders die meerdere systeemstandaarden hanteren. Vanuit de Green Deal Elektrisch Vervoer en het Nationaal programma Luchtkwaliteit wordt er ingezet op uniformering van de eisen voor laadpalen. Vanuit het ministerie is er nog een extra rijksbijdrage van €1.5 miljoen beschikbaar gesteld voor de plaatsing van laadpalen in gemeenten. Dit betekent dat er €500,- per paal aan rijkssubsidie beschikbaar is.

Een cruciale slagingsfactor is de beschikbaarheid van oplaadsystemen en voertuigen. Het omslagpunt hierin is bijna bereikt. Dit komt ook doordat grote spelers zoals IKEA gratis laden in de parkeergarage aanbieden.

Vanuit gemeenten komen vooral de ruimtelijke kwaliteit en de parkeerdruk als pijnpunten naar boven. Dit wordt onder andere veroorzaakt door de hoeveelheid laadpalen die in de openbare ruimte geplaatst moeten worden. Daarnaast moeten er aparte parkeerplaatsen voor elektrische voertuigen via een verkeersbesluit worden aangewezen. Dit beperkt de beschikbare parkeerplaatsen voor andere voertuigen, waardoor de parkeerdruk stijgt. Vanuit de VNG is er een handreiking over elektrisch laden beschikbaar.

Toegankelijkheid en binnenstedelijk bouwen

De gemeenten bespraken ook de ontwikkelingen rondom binnenstedelijk bouwen en parkeren. De parkeernorm verdwijnt uit het bouwbesluit en moet via een bestemmingsplan worden geregeld. Aan de andere kant vormen parkeernormen en de fysieke faciliteiten vanwege kosten en ruimtebeslag een hinderpaal. Gemeenten zoeken naar mogelijkheden om toch te voorzien in de mobiliteitsbehoefte van bewoners, zonder dat er gekozen moet worden voor suboptimale oplossingen zoals parkeerplaatsen.

Vanuit het CROW werd aangegeven dat de inwerkingtreding van het VN-verdrag voor de gelijke rechten van mensen met een beperking ook consequenties heeft voor het mobiliteitsbeleid. Op een later moment wordt teruggekomen op de concrete vertaling van het VN-verdrag naar de gemeentelijke mobiliteitspraktijk.

Middagprogramma: groot onderhoud Raamweg in Den Haag

In het middagprogramma gaf de gemeente Den Haag een presentatie over het groot onderhoud aan de Raamweg, een van de grote verkeersaders binnen de stad. De IVO-deelnemers werden meegenomen in de dilemma’s en uitdagingen van dit grootschalige onderhoudsproject en brachten vervolgens een bezoek aan deze locatie.

 

 

Blue Assist laat mensen met communicatieve beperking zelfstandig reizen in het OV

Uit de evaluatie van de proef in Barneveld en Ede blijkt dat Blue Assist mensen met een communicatieve beperking kan helpen om zelfstandig te reizen met het openbaar vervoer. Hierdoor kunnen zij zelfstandig deelnemen aan de maatschappij. Blue Assist vergt een actieve betrokkenheid van zorginstellingen, vervoerder en gemeente. Blue Assist sluit aan op het groeiende aanbod van initiatieven en diensten die mensen helpen bij het maken van de overstap van het doelgroepenvervoer naar het openbaar vervoer.

Blue Assist is overgewaaid uit Vlaanderen, waar al veel organisaties en overheden zich bij het initiatief hebben aangesloten. In de pilot is gekeken of Blue Assist ook in Nederland mensen met een communicatieve beperking kan helpen om zelfstandig met het reguliere openbaar vervoer te reizen. De pilot is uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. De VOC heeft deelgenomen aan de begeleidingsgroep. Het evaluatierapport van de pilot met Blue Assist is te vinden op de website van de Rijksoverheid.

De pilot laat zien dat Blue Assist mensen binnen de doelgroep kan helpen om de overstap van het doelgroepenvervoer naar het openbaar vervoer te laten maken. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan het komen tot een inclusieve samenleving. Daarnaast wordt in het rapport voorgerekend dat naast het bereiken van meer zelfredzaamheid van de doelgroep, ook de vervoerskosten lager uitvallen. Dit geldt met name wanneer minder gebruik wordt gemaakt van het leerlingenvervoer, hetgeen zou moeten leiden tot lagere kosten voor gemeenten.

Uit het rapport blijkt tevens dat een succesvolle uitrol van Blue Assist afhankelijk is van de medewerking van alle partijen die betrokken zijn bij de reiziger die gebruik maakt van Blue Assist: zorginstellingen, mantelzorgers, OV-bedrijven, onderwijsinstellingen en andere voorzieningen waar naartoe wordt gereisd en de lokale overheden. De rol van de gemeente is afhankelijk van de lokale politieke wensen, beleidsdoelen en praktische haalbaarheid en kan bestaan uit financiële bijdragen, schakel tussen partijen en communicatie naar het publiek.

Voor meer informatie over de pilot verwijzen we naar het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Blue Assist en de partijen die hebben deelgenomen aan de pilots in Barneveld en Ede. Voor een uitgebreid overzicht van de mogelijkheden om het gebruik van het openbaar vervoer door reizigers met een beperking te bevorderen, zie het onderzoek dat Staatssecretaris Dijksma eind 2016 heeft aangeboden aan de Tweede Kamer.

Workshop over reisinformatie en toegankelijheid

9292 organiseert een workshop voor gemeenten, provincies en vervoerders over reisinformatie over toegankelijkheid in het openbaar vervoer en het aanvullend openbaar vervoer. Particuliere vervoersdiensten en ander kleinschalig openbaar vervoer maken steeds meer onderdeel uit van het palet van collectieve vervoersvoorzieningen. Daarnaast zien we dat mede door de bezuinigingen in het doelgroepenvervoer een toenemende vraag ontstaat uit de maatschappij naar goede toegankelijkheidsinformatie over het openbaar vervoer. Mensen moeten goed worden geïnformeerd over bijvoorbeeld de aanwezigheid van een gelijkvloerse instap of de mogelijkheid hebben reisadvies te krijgen voor verbindingen waarbij de loopafstand maximaal 100 meter betreft.

Veel informatie is al beschikbaar, maar nog lang niet alles rondom toegankelijkheid is goed in kaart gebracht en realtime beschikbaar. Hiervoor is de inzet nodig van de verantwoordelijke partijen: gemeenten als beheerder van de openbare ruimte en opdrachtgever voor het doelgroepenvervoer, provincies als opdrachtgever van het reguliere regionale openbaar vervoer en natuurlijk de vervoersbedrijven.

Ben je als ambtenaar of bestuurder betrokken bij deze thema’s? Kom dan op donderdagmiddag 16 april aan boord van de SS Rotterdam. Meer informatie over het programma is te vinden op de website van 9292. Aanmelden kan via een email aan de organisatie.